Wij plassen niet in bed

Van 1873 tot 1970 heeft in Nederland het bijna vergeten fenomeen `vakantiekolonie’ bestaan. Duizenden kinderen tussen de drie en veertien jaar met te weinig gewicht en weerstand, konden aansterken in een van de vijftig koloniehuizen die met particuliere fondsen in zomer en winter, in bos en duin, werden geëxploiteerd. Tijdens de hausse van deze `gezondheidsvacanties’, begin jaren vijftig, kregen jaarlijks 27.000 kinderen te maken met een regime van `rust, reinheid en regelmaat’, en van veel eten. In totaal hebben daar zo’n 800.000 kinderen naast meer weerstand ook `enige beschaving’ opgedaan.

Het adequaat geïllustreerde Bleekneusjes, geschreven door Marianne Swankhuisen, Klaartje Schweizer en Addy Stoel, geeft aan de hand van archiefmateriaal, persoonlijke correspondenties en gesprekken met `ervaringsdeskundigen’ een degelijk, gevarieerd, soms ontroerend beeld van ontstaan en functioneren van de `kolonie’. Gymnastiek, wandelen, sleeën, knutselen, aardbeien eten, post ontvangen – er stond veel bezigheid en troost op het programma, maar toch verlangde menig kind naar huis. Lees Gerard Reve er maar op na, in Moeder en Zoon, die in `herstellingsoord’ Groot Dennenlust moest logeren. Kleine Gerard `weet zich goed te houden’ als zijn moeder even op bezoek is, maar na het afscheid rent hij achter haar aan. Mag hij asjeblieft mee? Nee, dat mag niet, zijn moeder brengt hem terug – `zelf even hard huilend als ik’.

Huis ter Duin
Aanvankelijk had `de kolonie’ veel te maken met tuberculose, ruim een eeuw geleden volksvijand nummer n. Door armetierige behuizing, slechte voeding en gebrek aan hygine behoorden arbeiderskinderen tot de grootste risicogroep. `Waar zal het in alle opzichten verwaarloosde kind beter het zedelijk reine leeren kennen dan in het welgeordende familieleven eener vacantiekolonie’, aldus een oprichter. Schoolartsen, onderwijzers en pastoors sloegen de handen ineen. Het geld kwam uit collectes, bazars, obligaties, jaarmarkten en andere initiatieven. Van weeshuizen tot bakkerijen zette men zich later in voor de `kinderuitzending’, en aan vrijwilligershulp was geen gebrek. Sommige koloniehuizen oogden zelfs als riante landgoederen. Helemaal fout, schreef een hoogleraar: dat comfort weerhield de kinderen ervan weer en wind te trotseren.

Egmond aan Zee had de hoogste koloniedichtheid. Ook elders werden bonen en erwten ruim aangevoerd. Er werd exact op tijd gegeten, want aan het rooster van middagslaapje en hoogtezon viel niet te tornen. ’s Avonds wachtte de tandenborstel – `een ikoon van hygiëne en beschaving’ – die in 1908 nog `groote nieuwsgierigheid’ wekte. En de volgende morgen stonden er onherroepelijk weer kinderen op het appel met natte lakens om hun nek. Voor straf, want `wij’ plassen niet in bed en `wij metselen niet’, dat wil zeggen geen brood wegspoelen met een slok melk. In de oorlog liep de geoliede kolonie-machine vast. De verenigingen werden ontbonden, bezittingen geconfisqueerd. Via het Interkerkelijk Overleg konden vanaf 1944 toch nog 45.000 kinderen uit de hongerige randstad elders worden ondergebracht. Daarna heeft de overheid het kolonie-netwerk stap voor stap afgebroken, om tot een meer pedagogische, individuelere aanpak van `zenuwpeesjes’ te komen, kinderen met psycho-sociale problemen. Het ene huis kreeg wel erkenning en geld, het ander niet. Het Centraal Genootschap voor Kinderherstellings- en Vacantiekolonies, dat zich bijna een eeuw met een enorm landelijk netwerk had ingezet, werd in 1980 definitief opgeheven. Toch een treurig afscheid van een particulier initiatief dat van ouderwetse zorgzaamheid getuigde.

NRC Handelsblad Boekbespreking van
Bleekneusjes / Marianne Swankhuijsen e.a.
Laatst bijgewerkt: 13-03-04

Comments are closed.